Samenvatting van het rapport en het advies van de commissie Schutte

(deze tekst in integraal overgenomen uit de brochure van de 4 gemeenten)

Het rapport van de commissie Schutte is op 31 maart 2009 overhandigd aan gedeputeerde Van Engelshoven-Huls van de provincie Zuid-Holland. Het advies is gebaseerd op de uitkomsten van de bestuurskrachtonderzoeken in 2007, de activiteiten die de gemeenten sindsdien hebben ondernomen, de resultaten daarvan en de conclusie van Gedeputeerde Staten die zij verwoordden in hun brief van 19 januari 2009 aan de vier gemeenten.

Op verzoek van de colleges en gemeenteraden zet de commissie adviseert in haar rapport twee bestuurlijke varianten naast elkaar: een fusie van de vier gemeenten tot één gemeente, en een variant waarin de gemeenten zelfstandig blijven, maar wel intensiever gaan samenwerken.

De voor- en nadelen van beide modellen afwegend, is de commissie Schutte van mening dat de vorming van één gemeente Goeree-Overflakkee de meest geschikte oplossing is. Elke andere oplossing is minder duurzaam en toekomstbestendig. Toch laat zij de mogelijkheid voor de samenwerkingsvariant open. De commissie heeft de gemeenten verzocht om op korte termijn een gezamenlijke keuze te maken tussen verregaande samenwerking of herindeling. Lukt het de gemeenten niet om voor 15 juni 2009 gezamenlijk tot een keuze te komen, dan zal de commissie adviseren dat Gedeputeerde Staten de procedure tot vorming van één gemeente in gang zetten.

Vergelijking fusiemodel en samenwerkingsmodel

De gemeenten moeten op korte termijn een keuze maken tussen fuseren (herindelen) of verregaande samenwerking, waarbij bij beide modellen uitgegaan wordt van één ambtelijke organisatie. Zij moeten dit doen op basis van weloverwogen argumenten. De commissie Schutte heeft de voor- en nadelen van beide varianten onderzocht en beschreven aan de hand van veertien invalshoeken. Hieronder volgt een beschrijving van beide modellen en een beknopt overzicht van de voor- en nadelen, om u als inwoner van Goeree-Overflakkee een idee te geven met welke keuzes de gemeentebesturen te maken hebben.

Kenmerken van het fusiemodel

• Eén ambtelijke organisatie.

• Eén gemeentebestuur.

• Voor bepaalde kernen kan een loketfunctie in stand blijven voor bepaalde publieksgerelateerde zaken.

Kenmerken van het samenwerkingsmodel

• Eén ambtelijke organisatie, onder leiding van één functionaris. Deze organisatie wordt aangestuurd door en is verantwoording verschuldigd aan het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband.

• Het dagelijks bestuur bestaat uit vertegenwoordigers van de colleges van de vier gemeenten.

• Het algemeen bestuur bestaat uit raadsleden van de vier gemeenten.

• Elke gemeente behoudt een kleine staf bestaande uit gemeentesecretaris met ondersteuning.

• Per gemeente blijft een loketfunctie in stand voor publieksgerelateerde zaken.

• Elke gemeente behoudt een eigen college en een eigen gemeenteraad.

• In een gemeenschappelijke regeling wordt vastgelegd welke taken en bevoegdheden worden overgedragen aan het bestuur van het samenwerkingsmodel en welke er bij de gemeenten blijven. De over te dragen taken en bevoegdheden betreffen in ieder geval de volgende beleidsterreinen: openbare orde en veiligheid, sociale zaken, onderwijs, welzijn, volkshuisvesting, ruimtelijke ordening, economische zaken, milieu, verkeer en archiefzaken.

De voor- en nadelen van beide modellen

1. Contact en vertrouwen tussen overheid en burger

Bij beide modellen is sprake van één ambtelijke organisatie waardoor de fysieke afstand tussen overheid en burger groter wordt. Bij een fusie is deze afstand wel groter omdat er minder bestuurders zijn voor een grotere gemeente. Dit kan gedeeltelijk opgevangen worden door een actief kernenbeleid, waarbij wethouders verantwoordelijk zijn voor een aantal kernen. Ervaring leert dat het vertrouwen in de gemeente na een herindeling in eerste instantie afneemt, om zich na een aantal jaar weer te herstellen. Het effect op het vertrouwen bij verregaande samenwerking is moeilijk te voorspellen.

2. Schaalgrootte

Bij een fusie ontstaat een gemeente van 48.000 inwoners op een landoppervlakte van bijna 400 km2. Het goed aansturen van nieuwe ontwikkelingen die het hele eiland aangaan is bij beide modellen mogelijk. Bij het samenwerkingsmodel betekent dit dat veel zaken tussen de vier gemeenten in aparte regelingen en onderlinge afspraken vastgelegd moeten worden, terwijl bij een fusie wordt bestuurd door één bestuur.

3. Identiteit

Bestuurlijke schaalvergroting gaat vaak gepaard met de vrees dat de identiteit van de oorspronkelijke gemeenten verloren gaat. Of nu gekozen wordt voor een fusie of voor verregaande samenwerking, het gaat hierbij vooral om wederzijds respect en rekening houden met elkaars belangen. Een belangrijk gegeven hierbij is dat in alle vier gemeenten de politieke partijen CDA, PvdA, VVD, CU en SGP zijn vertegenwoordigd, naast lokale partijen. Het is dus aannemelijk dat na nieuwe verkiezingen de verhoudingen in de nieuwe gemeenteraad niet heel erg zullen verschillen ten opzichte van handhaving van de vier gemeenten. De maatschappelijke identiteit (o.a. verenigingsleven) wordt niet beïnvloed door de bestuursvorm, maar door de inwoners zelf.

4. Maatschappelijk draagvlak

Het standpunt van Gedeputeerde Staten over de bestuurlijke toekomst van Goeree-Overflakkee en de instelling van de commissie Schutte hebben niet tot een brede maatschappelijke discussie geleid. Het is daarom moeilijk om op basis van het beperkte aantal binnengekomen reacties een algemeen oordeel te geven over het maatschappelijk draagvlak. Er kan hooguit geconstateerd worden dat het onderwerp niet zodanig leeft dat inwoners en organisaties massaal in beweging zijn gekomen.

5. Dienstverlening

De kwaliteit van de dienstverlening aan burgers en organisaties verbetert als er één ambtelijke organisatie wordt gevormd. Zowel bij een fusie als bij verregaande samenwerking kan op verschillende locaties een loketfunctie worden gecreëerd voor bepaalde diensten. Beide modellen bieden kans voor een optimale dienstverlening, waarbij wel opgemerkt wordt dat na een ingrijpende reorganisatie (tot één ambtelijke organisatie) in eerste instantie de dienstverlening onder druk komt te staan om pas daarna te verbeteren.

6. Aantal en kwaliteit van bestuurders.

Het spreekt voor zich dat bij een fusie minder bestuurders nodig zijn dan in het geval van verregaande samenwerking. Bij beide modellen blijft het raadslidmaatschap een parttime functie, maar de wethouders krijgen in het fusiemodel een fulltime functie. Bij het fusiemodel vergt het raadslidmaatschap wellicht meer tijd door de grootte van de gemeente. Daarentegen wordt de werkdruk van wethouders en raadsleden groter in het samenwerkingsmodel, doordat zij soms een dubbele functie hebben, namelijk bestuurder van hun gemeente èn van het samenwerkingsverband. Dit kan tot spanningen leiden door de dubbele verantwoordelijkheid en loyaliteit.

7. Democratische legitimatie

Bij een fusie is de raad van de gemeente bevoegd te beslissen over alle gemeentelijke taken en bevoegdheden, bij een samenwerking is de bevoegdheid voor veel taken overgedragen aan het bestuur van het samenwerkingsverband.

De verantwoording voor het gevoerde beleid is bij een fusie helder: het college legt verantwoording af aan de raad. In het samenwerkingsmodel is dit gecompliceerder: het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband legt zowel verantwoording af aan het algemeen bestuur als aan de colleges van de vier gemeenten, het algemeen bestuur verantwoordt zich bij de raden van de vier gemeenten. Het gevaar bestaat dat belangen kunnen botsen omdat gekozen volksvertegenwoordigers in eerste instantie meer gericht kunnen zijn op hun eigen gemeente, terwijl het beleid de gehele gemeente betreft.

8. Ambtelijke organisatie

Beide modellen gaan uit van één ambtelijke organisatie, waardoor de ambtenaren de mogelijkheid krijgen zich te specialiseren en te professionaliseren. In geval van één gemeente wordt de ambtelijke organisatie centraal aangestuurd door een college (burgemeester en wethouders), terwijl bij het samenwerkingsmodel de aansturing plaatsvindt door het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband.

In het samenwerkingsmodel is het opdrachtgever- en opdrachtnemerschap een aandachtspunt. De mogelijkheid bestaat dat de ambtelijke organisatie te maken krijgt met vijf opdrachtgevers met verschillende wensen en verwachtingen. Daarnaast bestaat het risico bestaat bovendien dat de ambtelijke leiding van de organisatie te veel invloed krijgt ten opzichte van bestuurders. Bij één organisatie en één bestuur is dit risico beduidend kleiner.

9. Beleidsvorming

Beleidsvorming is in het fusiemodel gemakkelijker, sneller en transparanter dan in het samenwerkingsmodel omdat er sprake is van minder ‘bestuurslagen’.

10. Uitvoering van belangrijkste gemeentelijke taken

In beide modellen wordt het mogelijk werkzaamheden meer in eigen beheer uit te voeren, waarbij in het samenwerkingsmodel wel gewaakt moet worden voor het ontstaan van langdurige procedures. Bij goede afspraken kan in beide modellen efficiencywinst worden behaald. De extra bestuurslaag bij het samenwerkingsmodel brengt meer kosten met zich mee.

11. Voorzieningenniveau

In het samenwerkingsmodel zullen de afzonderlijke gemeenten prioriteit kunnen geven aan de voorzieningen in de eigen kernen. In het fusiemodel zal de nadruk meer liggen op het voorzieningenniveau in de gemeente als geheel. Voor het verwerven en behouden van centrale voorzieningen heeft één gemeente een sterkere positie dan vier afzonderlijke gemeenten. Eén gemeente met veel kernen zal beter dan in het samenwerkingsmodel een algemeen kleine kernenbeleid kunnen voeren.

12. Externe positie van de gemeente(n)

Om de belangen te behartigen van het eiland en van de inwoners is een sterke positie en bestuurskracht van groot belang. Deze sterke positie kan zowel bij een verregaande samenwerking als bij een fusie bereikt worden, als de gezamenlijkheid maar voorop staat.

13. Financiële situatie

Aan beide modellen is een financieel plaatje verbonden, dat voor een deel vergelijkbaar is maar op belangrijke onderdelen ook verschilt. Zonder al te veel op details in te gaan kan de voorzichtige conclusie worden getrokken dat:

a. het uiteindelijke financiële plaatje wordt in belangrijke mate bepaald door keuzes die gemaakt worden bij de effectuering van een model;

b. aan beide modellen zijn extra kosten verbonden, die op termijn kunnen leiden tot kwaliteits- en efficiencyverbetering;

c. als gevolg van het ontbreken van een frictiekostenvergoeding van het Rijk is het samenwerkingsmodel in de eerste jaren per saldo duurder dan het fusiemodel;

d. de belastingopbrengst en de gemiddelde belastingdruk hoeven niet beïnvloed te worden door de keuze voor een model. De belastingdruk voor de individuele inwoner kan door een keuze voor het fusiemodel zowel positief als negatief beïnvloed worden;

e. in het samenwerkingsmodel behouden de vier gemeenten een zekere autonome begrotingsbevoegdheid, in het fusiemodel berust deze bij de gemeenteraad van de nieuwe gemeente.

14. Overgangssituatie

Welke bestuursvariant ook gekozen wordt, de overgangssituatie zal in beide gevallen niet zonder slag of stoot gaan. Het is daarom belangrijk dat de overgangssituatie zo kort mogelijk duurt. Bij het fusiemodel is het tijdschema wettelijk bepaald.

 

 

Deze pagina is voor het laatst bijgewerkt op: 07-06-2009 18:34